Column Smit & Smit Advocaten

Aanzegverplichting bij niet verlengen contract

Smit en Smit

Bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd rust op de werkgever een aanzegverplichting. Deze verplichting houdt in dat u als werkgever uiterlijk een maand voordat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt, een werknemer schriftelijk informeert over het al dan niet voortzetten van de overeenkomst.

Als u als werkgever de aanzegverplichting in het geheel niet nakomt, dan bent u aan de werknemer een boete verschuldigd gelijk aan het bedrag van het loon voor één maand. Indien de aanzegverplichting niet tijdig is nagekomen, bent u aan de werknemer een boete naar rato verschuldigd. De aanzegverplichting geldt overigens niet wanneer de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor een periode korter dan zes maanden of wanneer bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst schriftelijk is overeengekomen dat deze eindigt op een tijdstip dat niet op een kalenderdatum is gesteld. Uit de rechtspraak blijkt dat werkgevers strikt worden gehouden aan hun aanzegverplichting en dat niet snel wordt aangenomen dat het opleggen van een boete onredelijk is. De rechtbank Noord-Holland heeft echter onlangs geoordeeld dat het opleggen van een boete wel onredelijk is.

Wat speelde er?

Een werknemer is met ingang van 4 april 2016 in dienst getreden bij de werkgever. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de periode van een jaar, te weten tot en met 3 april 2017. Op 22 februari 2017 heeft de werkgever de werknemer mondeling meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst niet wordt voortgezet. Op 24 februari 2017 heeft via WhatsApp correspondentie tussen werknemer en werkgever plaatsgevonden. In een brief van 1 maart 2017 aan de werknemer is vermeld dat werknemer na afloop van de huidige arbeidsovereenkomst geen nieuwe arbeidsovereenkomst zal worden aangeboden. Op 29 maart 2017 heeft deze werknemer via WhatsApp aan de werkgever bericht dat ze ‘nog geen schriftelijke opzeg’ heeft. Werkgever stuurt haar vervolgens diezelfde dag
dezelfde brief van 1 maart 2017 toe. Bij brief van 31 maart  2017 heeft de gemachtigde van de werknemer aan werkgever bericht dat te laat is aangezegd dat de arbeidsovereenkomst niet verlengd wordt en dat aanspraak wordt gemaakt op een boete van € 1.960,90 bruto. Partijen komen er onderling niet uit en de werknemer stapt naar de rechter.

Verzoek van werknemer

De werknemer verzoekt de kantonrechter om de werkgever te veroordelen tot het betalen van de boete. Werknemer legt aan het verzoek ten grondslag dat zij pas op 29 maart een brief van werkgever d.d. 1 maart 2017 heeft ontvangen, waarin werkgever aanzegt dat de arbeidsovereenkomst niet wordt voortgezet.

Het oordeel van de kantonrechter

De kantonrechter buigt zich niet over de vraag of werknemer de brief van 1 maart 2017 tijdig (dus uiterlijk op 2 maart 2017) heeft ontvangen. In plaats daarvan gaat de kantonrechter er ‘veronderstellenderwijs’ vanuit dat deze brief na 2 maart 2017 is ontvangen, zodat werkgever in beginsel een boete is verschuldigd. Vervolgens overweegt de kantonrechter dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever de eis van de schriftelijke aanzegging heeft gesteld ter bescherming van de werknemer. Het doel van de wettelijke bepaling is dus tijdig duidelijkheid aan de werknemer verschaffen. In deze zaak staat tussen partijen vast dat werkgever werknemer mondeling heeft meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst niet verlengd zou worden. Partijen hebben vervolgens via WhatsApp over de afwikkeling van het dienstverband gecorrespondeerd. Verder heeft de werkgever de werknemer per e-mail bericht dat ze recht heeft op een eindejaarsuitkering en dat deze bij uitdiensttreding wordt uitbetaald. Onder deze omstandigheden moet het voor werknemer duidelijk zijn geworden dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd. Dat blijkt ook uit de WhatsApp-berichten en e-mails. Zij gaat er in die correspondentie immers zelf ook van uit dat deze zou eindigen.

Duidelijk en tijdig

Bij deze omstandigheden, waarbij voor werknemer geen onduidelijkheid heeft bestaan over het niet voortzetten van de tijdelijke arbeidsovereenkomst en werknemer tijdig de mogelijkheid heeft gehad om maatregelen te treffen om het verlies van haar inkomen op te vangen, acht de kantonrechter het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat werknemer aanspraak maakt op een boete wegens het niet tijdig voldoen aan de aanzegverplichting. Het verzoek van werknemer werd dan ook afgewezen. Voor meer informatie hierover kunt u contact met ons opnemen.

Deel dit artikel

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *